Zelfbeschikking en een plastic rietje

Afgelopen week ontving de Stichting Reclame Code honderden klachten over de reclamecampagne van Week van het Leven, waarin ‘het baasje in eigen buik’ een stem krijgt. De slogan is een parodie op de slogan ‘baas in eigen buik!’ van de pro-abortusbeweging in de zeventiger jaren. Mensen vonden de campagne aanstootgevend en onsmakelijk. Zelfs in politiek Nederland deed de campagne stof opwaaien. PvdA-leidster Lilianne Ploumen schreef op Twitter: ‘It’s that time of the year again: conservatieve krachten willen het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen beknotten. De Week van het Leven is een week tegen vrouwenrechten. Daarom moeten we ons laten horen, een draadje. #baasineigenbuik #shedecides’.

Mijns inziens typeren dit soort reacties de tijd waarin we leven. Een tijd waarin we vrijuit spreken van ‘het vermoorden van de planeet’ als het om het klimaat gaat en de term ‘dierenmoord’ door vegetariërs op stickers door de binnenstad mag worden verspreid. Waarin de term ‘ecocide’ in het partijprogramma van een christelijke partij staat. Waarin campagnes worden opgezet om oerwouden en oceanen te redden. Een tijd waarin het drinken uit een plastic rietje haast een groter stigma draagt dan het beëindigen van een menselijk leven. Hoe kan het dat we bomen een stem willen geven, maar we het onsmakelijk en aanstootgevend vinden om ongeboren mensenlevens een stem te geven? Heeft Ploumen gelijk, dat wil zeggen, beknotten we zelfbeschikkingsrecht van vrouwen door hen bewust te maken van het recht van ongeboren levens? Ik denk dat de campagne van Week van het Leven een beroep doet op verantwoordelijkheidsgevoel, niet alleen dat van vrouwen met een ongewenste zwangerschap, maar ook op dat van ons als gemeenschap om hun last de onze te maken zodat we voor het leven van moeder én ongeboren kind staan. Is zelfbeschikkingsrecht daarnaast wel een legitieme term als dit recht duidelijk ten koste van een ander leven gaat? Zeker in deze tijd waarin de druk op ongevaccineerden om zich te laten vaccineren ‘voor de ander’ wordt opgevoerd en waarin bijvoorbeeld vrouwen met psychiatrische problemen verplichte anticonceptie kan worden opgelegd lijkt dit argument niet steekhoudend. Is een mensenleven binnen de ene context dan niet meer waard dan een andere? Oftewel, zijn niet ‘alle dieren gelijk, maar sommige meer gelijkwaardig dan anderen’?

Stel dat de Christen Unie niet ‘ecocide’ – wat zich laat vertalen met iets als ‘het vermoorden van de natuur’ – maar de term ‘foeticide’ in haar verkiezingsprogramma had opgenomen, zou Nederland hier dan niet massaal over gestruikeld zijn? Zorg voor de natuur is belangrijk, maar staat het verwaarlozen ervan of het schade toebrengen gelijk aan moord? Moord, een term die een halve eeuw geleden nog aan het beëindigen van mensenlevens voorbehouden was. Zonde, een term die ooit stond voor het overtreden van Gods instellingen die gevat worden in het liefhebben van God boven alles en onze naaste als onszelf, niet voor het gebruiken van een plastic rietje.

‘Wee hun die het kwade goed noemen en het goede kwaad; die duisternis voorstellen als licht, en licht als duisternis; die bitter voorstellen als zoet en zoet als bitter.’ Jesaja 5:20

Hier ben ik

De eerste keer dat het begrip ‘aanbidding’ wordt genoemd in de Bijbel is niet in relatie tot een dienst met lichteffecten, dans en zang, maar is wanneer Abraham naar de berg Moriah gaat om zijn zoon te offeren. God zei tegen Abraham: ‘Abraham!’ En hij zei: ‘hier ben ik’. Abraham legde het hout voor het offer op de rug van zijn zoon, de zoon van de belofte. Hij maakte een altaar klaar en wilde zijn geliefde zoon offeren. God toetste Abrahams gehoorzaamheid.

Toen de Here Jezus door Zijn Vader geroepen werd om naar de aarde te komen, de vorm van een dienstknecht aan te nemen en onder ons te leven, zei Hij: ‘Zie, Ik kom, in de boekrol is over Mij geschreven. Ik vind er vreugde in, Mijn God, om Uw welbehagen te doen; Uw wet draag Ik diep in Mijn binnenste.’ (Psalm 40) Zijn rug gaf Hij aan Zijn folteraars, maar ook aan Zijn Vader, die er het kruishout op bond om Hem tot een offer te maken. Een offer op Moriah, waarmee Hij een eeuwige verlossing voor ons teweeggebracht.

Toen er nog een tempel was in Jeruzalem, kwamen gelovigen niet met lege handen, maar kwamen er om iets te brengen. Wij hoeven geen slachtoffer, graanoffer, brandoffers en offers voor de zonde meer te brengen. Dat deed de Here Jezus voor eens en voor altijd. Ook de tempel is niet meer, Zijn lichaam, Zijn tempel, dat zijn wij.

Geregeld vraag ik mijzelf af in hoeverre mijn leven een offer is. In hoeverre ga ik naar de samenkomst om mijzelf te geven en tegen God zeggen: ‘hier ben ik, gekomen om Uw wil te doen.’

Hoe vaak kom ik uitsluitend tot Gods eer en tot opbouw van de gemeente? Niet om bemoedigd en onderwezen te worden, maar om de bidden voor de spreker die Gods Woord deelt, om uitsluitend te zingen tot Gods eer en medegelovigen te bemoedigen? Hoe vaak ben ik niet gekomen om te halen, terwijl Hij er naar zoekt aanbeden te worden in Geest en Waarheid? Hoe vaak ga ik naar ‘Gods tempel’ om te zijn voor broers en zussen, zoals Hij Zijn leven gaf voor mij? Om hen lief te hebben, zoals Hij ons lief heeft gehad – tot in de dood.

Vanochtend luisterde ik deze boodschap van K.P. Yohannan (Gospel for Asia) en werd er door getroffen. Misschien jij ook.