Niet ieder die Heere, Heere zegt

Kenneth Copeland is misschien wel ’s werelds beroemdste welvaartsprediker. Wereldwijd bereiken zijn televisieboodschappen van voorspoed en geluk door zijn ‘Victory Channel’ talloze kijkers. Daarnaast kreeg Copeland veel publiciteit doordat hij in april 2020 de atmosfeer opdroeg een bovennatuurlijke hittegolf aan te sturen om het Coronavirus te doden en in november van datzelfde jaar volledig door leek te draaien van het nieuws dat Trump niet voor een tweede termijn werd aangesteld.

In een interview werd Copeland bevraagd op luxueuze levensstijl en de aankoop van privéjets. Hij antwoordt: ‘Het kost een hele hoop geld om te kunnen doen wat wij doen. Wij brachten – even denken, we hebben net de laatste cijfers binnen – 122.000.000 mensen tot de Here Jezus Christus.’

Dit soort stellingen treft mij altijd, omdat ik mij afvraag hoe gemeten zou kunnen worden hoeveel mensen tot geloof in de Here Jezus komen. Hoe meetbaar is een behoudenis, wanneer alleen God weet wat in het hart van een mens is? En wie kan meten wie heeft gezaaid en wie water gaf? Het is daarnaast God Die doet groeien. (1 Kor 3.6) Het roemen in dit soort cijfers is ijdelheid.  

Of Copelands onderwijs Bijbelgetrouw is waardoor het mensen daadwerkelijk dichter tot de Here Jezus brengt, is wel te toetsen. Bijbelverzen citeren doet hij veel, maar maakt dit zijn onderwijs ook Bijbels? Laten we even kijken.

Copeland gelooft dat de oorspronkelijke mens voor de zondeval God was, God in het vlees. Zo stelt hij: ‘De reden voor God om Adam te scheppen was Zijn verlangen om zichzelf te vermenigvuldigen. Ik bedoel een reproductie van Zichzelf.. en in de hof van Eden was dat precies wat Hij deed. Hij was niet bijna als God. Hij was zelfs niet ondergeschikt aan God.. Adam is zoveel God als het maar kan, precies zoals Jezus. Adam, in de hof van Eden, was God in het vlees.’ ‘Je hebt geen God in je, je bént er één.’1

Maar de Bijbel (Genesis 1, 5.2) leert dat God op de zesde dag de mens schiep naar Zijn beeld, niet naar Zijn aard. Adam werd als mens gemaakt door God. God gaf Adam (en Eva) de naam ‘mens’ op de dag dat ze geschapen werden.

Copeland leert dat Jezus slechts mens was, niet God. Hij gelooft dat Jezus tot hem sprak: ‘Ze hebben Mij gekruisigd omdat Ik beweerde dat Ik God was. Maar ik beweerde niet dat Ik God was; Ik beweerde gewoon dat Ik met Hem wandelde en dat Hij in Mij was. Halleluja.’2

In een Nigeriaanse kerk leest Copeland uit een Bijbelgedeelte waarin wordt beschreven hoe Jezus de vrouw die twaalf jaar bloed vloeide, genas. ‘En meteen toen Jezus bij Zichzelf merkte dat er kracht van Hem uitgegaan was, keerde Hij Zich om in de menigte en zei: Wie heeft Mijn kleren aangeraakt?’ Copeland: Wie deed dit, wie raakte Mij aan? [Op spottende toon:] “Nou broeder Copeland, Hij is God! Weet jij niet dat Hij wist wie Hem had aangeraakt?” Nee! Hij was niet werkzaam als God! Hij noemde Zichzelf niet God! Hij noemde Zichzelf ‘de zoon des mensen.’ Hij kon niets doen zonder de zalving van God. En we wéten dat het de zalving is, want in het volgende boek, Lukas, zegt Hij; ‘De Geest van de Heere is op Mij, omdat Hij Mij gezalfd heeft om te prediken! Halleluja! Glorie aan God! [..] Hij is een prediker! Halleluja! Hij is een onderwijzer! En Hij is een genezer! En Hij is vanavond dezelfde als Hij was en zal dat tot in eeuwigheid zijn!’

Copeland onderwijst dat de Here Jezus was Wie Hij was, door de zalving. Het is bekende Word of Faith leer die bijvoorbeeld ook door Bill Johnson en Kris Vallotton (Bethel Redding) wordt onderschreven: Jezus ontdoen van Zijn goddelijkheid en Hem beperken tot een medemens die in staat is te onderwijzen, prediken en genezen door de zalving, zoals dit impliciet voor elk mens zou zijn weggelegd. Dit is dan ook wat Copeland in alle bescheidenheid zelf pretendeert te doen: onderwijzen, prediken.. en ook genezen.

Copeland heeft dan ook een relatie met Jezus die de meesten van ons niet hebben. Met enige regelmaat lijkt Copeland door Jezus bezocht te worden in visioenen. Zoals in 1979, toen ‘Jezus’ hem in een visioen aanstelde tot het uitzenden van televisieboodschappen.3 Of toen die ene keer, dat ‘Jezus’ aan het voeteneinde van zijn bed verscheen met een schaal koekjes en zei: ‘neem een koekje.’

Voor wie nog niet overtuigd is door de minachting van de Persoon van Jezus schroomt Copeland ook niet te zeggen dat God de grootste mislukking in de Bijbel is. Dit is wat hij dan ook stelselmatig onderwijst. ‘Als je iemand zou vragen ‘wie is de grootste mislukkeling’ zouden ze zeggen: ‘Judas.’ Een ander zou zeggen: ‘nee, ik geloof dat het Adam was.’ Of wat dacht je van de duivel, hij is de meest consequente mislukkeling. Maar, hij is niet de grootste in termen van significantie. De grootste in de hele Bijbel is God. Je kent me nu goed genoeg om te weten dat ik niet iets zou zeggen als ik het niet met de Bijbel kan bewijzen. Hij [God] verloor Zijn gezalfde engel (de meest hoge in rang), de eerste mens die Hij ooit schiep, de eerste vrouw die Hij ooit schiep, de hele aarde en haar volheid en tenmínste een derde van de engelen. Dat is een groot verlies, jongens. Reken maar na; dat is een hele hoop vastgoed, broeder. Zomaar verloren gegaan. De reden dat het nooit in je op is gekomen dat God een mislukkeling is, is dat Hij nooit heeft gezegd dat Hij een mislukkeling is.’4 Copeland is door de jaren heen consequent in zijn geloof. Ook jaren later onderwijst hij in een Nigeriaanse kerk: ‘Wie was de grootste loser? Satan? Nee. God!’5

Kenneth Copeland noemt Jezus ‘Heer’, profeteert, spreekt in tongen, ontvangt visioenen, laat mensen vallen in de geest, houdt genezingscampagnes, zalft mensen door het televisiescherm, onderwijst uit de Bijbel.. en toch. Toch zegt de Here Jezus Zelf: ‘Velen zullen op die dag tegen Mij zeggen: Heere, Heere..  dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; ga weg van Mij..’

Laat je dan ook niet misleiden door mannen (en vrouwen) die zoals Simon ‘de grote kracht van God’ (Handelingen 8) lijken te zijn door de ogenschijnlijk spectaculaire dingen die zij doen. Uiteindelijk gaat het erom dat we Gods wil doen; iets wat vooral belangrijk is omdat Hij het ziet, veelal in het verborgene. ‘De HEERE slaat er acht op en luistert. Er is een gedenkboek geschreven voor Zijn aangezicht, voor wie de HEERE vrezen en wie Zijn Naam hoogachten.’ (Maleachi 3.16b)